Mementoboek 2024

In ‘Tussen haakjes’, het boek bij het Memento Woordfestival van Kortrijk in 2024, publiceerde Tine het kortverhaal ‘Tussen haakjes’.

 

 

Tussen haakjes

Zes stappen vooruit. De sporten van haar denkbeeldige ladder op. Hinkelend op één been over de lijn die ze net zelf heeft bedacht.

Rosa leeft in haar eigen wereld. Sinds ze drie jaar geleden in Oostende bij haar tante Juliana kwam wonen, heeft Leon haar nooit anders gekend: elke zondag huppelend naar de kerk en huppelend naar huis. Zoveel vrolijkheid in een kind dat haar beide ouders op één dag verloor.

Vandaag is de eerste dag waarop Leon de winkel weer heeft geopend. Er is nog niemand langsgekomen. Sinds openingstijd heeft hij elke seconde op de wandklok boven het rek met tollen zien passeren. Rosa’s komst is een welgekomen afleiding. Vanaf zijn bankje achter de kassa slaat hij haar gade. De puntjes van haar blonde vlechten wippen boven de vliegtuigjes uit die hij vorige maand met visdraad in de vitrine heeft opgehangen.

Met een sprong, waarbij ze landt op twee voeten strak naast elkaar, stopt ze voor zijn winkelruit. "BANG!" klinkt het door de verder lege straat, en hij krimpt ineen.

Juist. Vandaag is de eerste zondag van de maand. Ze komt altijd de winkel binnen als ze haar maandelijkse zakgeld van grootvader Remi heeft gekregen.

Rosa drukt haar neus tegen het glas. Haar openhangende mond vol scheve tanden is een en al verwondering. Haar handen plaatst ze aan weerszijden van haar ogen, twee haakjes waartussen ze zichzelf onzichtbaar probeert te maken voor Leon. Hij hangt voorover geleund op de toonbank, zijn hoofd in zijn handen. Zijn pinken rusten in de gleufjes onder zijn wallen. Onzichtbaar worden gaat hem moeilijker af.

Haar ogen glijden over de plafondhoge kasten in de speelgoedwinkel. Ze neemt haar tijd om te zoeken naar de nieuwe aanwinsten tussen het miniatuurtheeservies en de leren ballen. Wanneer ze de poppetjes op de bijzettafel opmerkt, verschijnen er kuiltjes in haar wangen en maakt ze haar handen los van het glas.

Tuurlijk heeft ze de poppetjes opgemerkt. Aimé, zijn zoon, had het voorspeld nog voor hij de laatste onregelmatigheden had weggeschuurd van zijn handgesneden figuurtjes: “Geloof me, va, alle kinderen zullen er gek op zijn. Mijn poppetjes in alle kleuren zijn precies wat ze nodig hebben in deze donkere tijden.”

Leon had maar drie poppetjes in de winkel gezet, zodat hij eerst kon zien of ze wel zouden aanslaan. Hoe had hij ooit kunnen twijfelen?

Hij zwaait naar haar. Rosa kijkt betrapt, nu haar haakjes verdwenen zijn. Ze draait zich weg van het raam, rommelt in de zakken van haar jurkje en duwt daarna zelfverzekerd de deur van de winkel open. De zon schijnt in haar rug. De bel boven de deur, die Leon vanochtend volpropte met krantenpapier, klingelt toch. Het is het eerste vrolijke geluid dat hij hoort sinds vorige week donderdag en hij wil het gelijk de mond snoeren.

Bonjour meneer Leon,” begroet ze hem, haar Franse accent duidelijk hoorbaar. Het zijn dezelfde woorden waarmee ze drie jaar geleden voor het eerst binnenstapte met haar tante. Nu stapt ze met een lichte huppel in haar pas langs de tafel vol tinnen soldaatjes. De munten in haar zakken rinkelen bij elke stap.

Hij kan haar beter bekijken nu. Lange wimpers. Korstje op haar onderlip. Goudkleurig knoopje in elk oor. Haar froufrou, die ze voortdurend opzijschuift, valt telkens weer in slordige plukken voor haar ogen. Ze draagt een zwart jurkje tot net boven haar knieën, met een wit kraagje dat bovenaan is dichtgesnoerd.

“Goeiemorgen, Rosa,” groet hij haar, terwijl hij achter de kassa vandaan komt. Hij ruikt de geur van verzuurde koffie op zijn eigen adem.

Rosa kijkt langs hem heen dieper de winkel in. “Is Aimé er niet vandaag?”

Leon bijt op zijn wang om de tranen tegen te houden. Hij wendt zijn blik af en staart naar de foto van hem en Irma op hun huwelijksdag in januari 1930. Vanop de foto lacht Irma hem toe. Het is dezelfde lach die ze hem al veertien jaar schenkt als hij ’s avonds de woonkamer binnenkomt. Nu ze haar slaapkamer niet meer verlaat, zal hij die lach waarschijnlijk lang moeten missen.

Leon schraapt zijn keel en stroopt de mouwen van zijn stofjas op. “Nee, Aimé is er niet vandaag.” En morgen, overmorgen en volgende maand ook niet. Maar dat vertelt hij er niet bij.

“Jammer. Zegt u hem dan maar dat ik in de stad bij madame Louise een bruidsjurk heb gezien die ik wil dragen als ik met hem trouw.”

Die trouwerij is nooit een vraag geweest. Al tijdens haar eerste bezoek aan Leons winkel, de eerste keer dat ze Aimé zag, had ze uitgemaakt dat ze zijn vrouw wilde worden. Ze was zeven geweest toen, zijn zoon elf. Aimé had zijn gezicht vertrokken en vol walging zijn tong uitgestoken. Die reactie was er met de jaren uitgegroeid. Zoveel zelfs dat hij sinds vorige zomer elke eerste zondag van de maand drie centimeter leek te groeien als Rosa opdook voor de winkel.

“Meneer Leon? Zijn deze ook te koop?”

Ze staat bij de drie poppetjes. Haar vingers glijden over hun kleurrijke kopjes terwijl ze zijn blik peilt. Hoewel ze een meetlat kleiner is dan Aimé, heeft ze dezelfde doorgrondende blik waar Leon nooit lang naar kan kijken.

“Jazeker. Aimé heeft ze zelf gemaakt. Vijfentwintig centiem voor één.”

Hij neemt het kleinste figuurtje tussen duim en wijsvinger en houdt het naar haar op. Zij bekijkt het even, maar schudt dan haar hoofd. Met uiterste voorzichtigheid haalt ze de twee grote poppetjes van de plank die verder leeg is. Ze kust ze elk op het gezicht en laat ze in de borstzak van haar jurkje glijden.

“Ze horen allemaal bij elkaar, Rosa,” dringt Leon aan, terwijl hij haar het kleinste poppetje aanreikt.

“Vroeger misschien,” antwoordt ze, waarna ze zich omdraait naar de kassa en munten uit haar zakken haalt.

Leon blijft verweesd met het kleinste poppetje in zijn handen staan. Aimé had het blauw geschilderd, dezelfde kleur als de jas die hij droeg toen hij vorige donderdag de deur uitging.

“Wat mooi, meneer Leon!” zegt Rosa.

Voor Leon beseft waar ze het over heeft, haalt Rosa al foto’s uit de kartonnen doos op de toonbank. Hij haast zich naar de kassa. “Nee, Rosa, niet...”

“Zijn die allemaal van Aimé?” vraagt ze lachend, terwijl ze hem een foto van een vierjarige Aimé op het strand toont. Ze bekijkt de foto’s die werden gemaakt door tal van Leons trouwe klanten. Geen jongen die zo vaak gefotografeerd werd als hij.

Leon trekt de stapel foto’s uit haar handen en bergt ze zorgvuldig op in de doos. Het blauwe poppetje plaats hij naast de doos.

“Is er iets, meneer Leon?”

Leon perst zijn lippen op elkaar. “Aimé bracht een bestelling naar Sint-Jan toen vorige week...”

Op straat klinkt een luide knal, waardoor Leon de rand van de toonbank zo stevig vastgrijpt dat zijn knokkels er wit van uitslaan. Twee jongens rennen lachend voorbij het raam.

Rosa’s glimlach verdwijnt. Ze knikt. Zij heeft het nieuws ook gehoord.

Leon schuift het poppetje naar haar toe. “Neem het mee.”

Rosa schudt haar hoofd.

Na even aarzelen steekt Leon het poppetje in zijn broekzak. Tien seconden lang horen ze enkel de wandklok.

“Dat is, eh, vijftig centiem,” zegt hij, terwijl hij zijn kasboek openvouwt en met pen het bedrag noteert.

Rosa schuift drie muntstukken van vijfentwintig centiem naar voren.

“Dat is vijfentwintig te veel, Rosa.”

“Voor die foto van Aimé voor de winkel,” zegt ze zacht. “Die heeft u dubbel, zag ik.”

Haar froufrou valt opnieuw voor haar ogen, maar kan de tranen niet helemaal verbergen. Ze haalt haar neus op. Leon ademt diep in en haalt de foto waar ze om vroeg uit de doos.

“Bedankt, meneer Leon.” Ze wandelt met de foto tegen haar borstkas geklemd naar de deur. De bel blijft deze keer geluidloos steken tussen het krantenpapier. Ze draait zich om. “Voor alles.”

Door het raam ziet hij hoe Rosa de kant opgaat van de kerk, verder weg van huis. Hij stelt zijn blik scherp op de nieuwe winkelruit die hij vorige maand liet plaatsen. Aimé had gesmeekt om zijn naam er ook op te zetten. Het was een verjaardagsgeschenk geweest.

Links en rechts van Aimés naam staan de afdrukken van Rosa’s handen.

Vorige
Vorige

Write Now! 2013